BELEIDSPLAN





5. Organisatie

Bestuur
Personeel
Externe relaties

Bestuur
Het bestuur van de Stichting het Nederlands Vormgevingsinstituut bestaat uit minimaal drie en ten hoogste zeven personen. De voorzitter wordt benoemd na een verklaring van geen bezwaar door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bij de benoeming van de bestuursleden wordt rekening gehouden met hun betrokkenheid bij de verschillende aspecten van vormgeving. Zo zal de vormgevingspraktijk in het bestuur vertegenwoordigd zijn, maar ook de financiële, bedrijfskundige, juridische en communi└catieve deskundigheid die aan het vakgebied is verbonden. Zonodig laat het bestuur zich adviseren door een internationaal gezelschap van adviseurs.

Het bestuur komt vier maal per jaar bijeen.
Ultimo 1995 werd het bestuur gevormd door:

  • de heer H. Swaak, waarnemend voorzitter
  • de heer J.W. Knipscheer, penningmeester
  • de heer P. Mertz, secretaris
  • mevrouw Y. Joris
  • mevrouw G. Prager
  • de heer A. Beeke

Personeel
Van meet af aan is gestreefd naar een kleine, wendbare organisatie, die zich voor de realisatie van grote projecten en voor ondersteunend onderzoek en advies laat bijstaan door externe hulp. Eind 1995 resulteert dit streven in een vaste bezetting van 11,4 personeelsleden. Richtlijn daarbij is dat een zo groot mogelijk deel van de beschikbare middelen gebruikt kan worden voor de uitvoering van programma's en activiteiten.

Gezien de wenselijkheid van inhoudelijke groei bij de thema's binnen het Instituut, is een toename van het personeelsbestand voor de komende jaren noodzakelijk. Vooral op het niveau van programma-ontwikkeling en -coördinatie is de afgelopen jaren een bijzonder zware wissel getrokken op de veelzijdigheid en vrijwel ongelimiteerde inzetbaarheid van de staf. Dat heeft betrekkelijk weinig gevolgen gehad voor het aantal activiteiten en het niveau van de uitvoering, maar werkte wel fnuikend voor de invester└ing in gedegener voorbereiding en in het bijzonder voor de verspreiding van de bevindingen. Voor de komende jaren moet het Instituut prioriteit geven aan die twee aspecten. Daarvoor zijn mensen nodig die inzicht hebben in de thema's en vaardigheid bezitten in het verspreiden van het `verhaal'. Bovendien moeten zij door hun betrokkenheid bij meerdere projecten vertrouwd kunnnen raken met onze werkwijze.

Doordat er de afgelopen jaren een solide organisatorische basis is gelegd, kan die groei beperkt blijven tot enkele full time krachten, die het totaal tussen 1997 en 2000 op 15 brengen.

Een kleine versterking - en een beperkte groei van de salariskosten ten opzichte van de periode 1993-1996 - betekent een directe injectie in de `output' van het Vormgevingsinstituut. Vrijwel geen tijd of inspanning wordt gevraagd voor versterking van de infrastructuur, zodat een belangrijk deel van de toegevoegde werkkracht rechtstreeks ten goede komt aan de inhoud en dus aan de zichtbaarheid van de programma's.

Wanneer wij erin slagen extra financiering te vinden voor enkele substantiële projecten, kan er gespecialiseerd personeel op contractbasis aan deze projecten worden verbonden.
Eind 1995 is de personele bezetting van het Vormgevingsinstituut, waarin verschillende nationaliteiten en etnische groepen vertegenwoordigd zijn, als volgt:

  • directeur
  • directie-secretaresse
  • programma manager 2D
  • programma manager 3D / adjunct-directeur
  • programma manager 4D
  • 2,4 project-coördinatoren (2D, 3D en 4D)
  • financieel manager
  • coördinator kennissysteem
  • informatiemedewerker
  • bureaumedewerker

Het inhoudelijk beleid van het Instituut wordt bepaald door de directeur, in regelmatig overleg met de programma managers. Zij bepalen de thema's en bespreken de gewenste vorm van projecten. Project-coördinatoren ondersteunen de uitvoering. Wat betreft de salarisstructuur en de arbeidsvoorwaarden volgt het Instituut de lijn die ook door andere instellingen op dit gebied wordt aangehouden.

Externe relaties
Om tot de formulering van thema's en projecten te komen, oriënteert het Instituut zich intensief in de omringende wereld van ontwerpers, schrijvers, overheden, bedrijven, onderzoeksinstituten, opleidingen, musea en professionele organisaties. Waar mogelijk worden zij betrokken bij strategische workshops en de nadere invulling van de programma's - gestuurd door het uitgangspunt dat het Vormgevingsinstituut bij uitstek activiteiten ontplooit in samenwerking met andere partijen in het veld.

Bij de evaluatie van het geleverde werk worden die partijen opnieuw betrokken; hetzij door middel van regelmatig formeel en informeel overleg, zoals met het ministerie van OCenW, met de Raad voor Cultuur en met de leden van het Platform Vormgeving van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, of op incidentele basis. Met de gemeente Amsterdam, met individuele gesprekspartners in de vakwereld en andere verwante partijen zoals de Innovatiecentra, de musea en de galeries wordt bij die gelegenheden gesproken o└ver de verwachtingen en de effecten die het Vormgevingsinstituut oproept, en wordt gekeken naar eventuele afstemming van toekomstige activiteiten. Bij de evaluaties wordt ook de receptie in de media betrokken.

Het Instituut onderkent daarnaast de noodzaak van onafhankelijke evaluaties voor het versterken van programma's en projecten. Externe adviseurs wordt gevraagd om hun oordeel over de samenhang tussen de doelstellingen van activiteiten en de gerealiseerde effecten. Hun bevindingen maken deel uit van de jaarlijkse evaluaties in het kader van het jaarverslag.

Er wordt structureel overlegd met, en incidenteel advies uitgebracht aan de Mondriaan Stichting ten aanzien van subsidieaanvragen op het gebied van vormgevingsmanifestaties. Ook met het Fonds voor Beeldende Kunst, Bouwkunst en Vormgeving wordt informatie uitgewisseld over individuele ondersteuning, en worden mogelijkheden tot samenwerking besproken. Na een periode van gewenning is ook het contact met het Stedelijk Museum inmiddels op gang gekomen. Wederzijdse programma's worden vergeleken om tot regelmatig└e samenwerking te komen. Eind 1995 liggen er enkele concrete plannen voor gezamenlijk te ondernemen projecten in 1996, waarbij het uitgangspunt is dat de specifieke capaciteiten van het museum en het Vormgevingsinstituut worden gecombineerd. De ervaring van die samenwerkingen moet eind 1996 worden geëvalueerd om beslissingen over toekomstige projecten te kunnen nemen.


SEND E-MAIL
[ updated 18 March 1996 ]