BELEIDSPLAN





1. Inleiding

Tijdens de periode van het Kunstenplan 1993-1996 werd het Vormgevingsinstituut opgericht als een onafhankelijke, door het ministerie van WVC gesubsidieerde stichting. Basis daarvoor was de `Brief over het vormgevingsbeleid' die in mei 1992 door de Tweede Kamer werd goedgekeurd en die voorzag in de oprichting van een instituut dat zich bezig ging houden met het brede terrein van de vormgeving.

Het kader waarin het Vormgevingsinstituut sinds 1993 functioneert, wordt aangegeven door de Nota Cultuurbeleid, `Investeren in cultuur'. Ten aanzien van de vormgeving ligt prioriteit bij `het scheppen van zodanige voorwaarden, dat de vormgevingskwaliteit van het aanbod wordt verhoogd; het stimuleren van de vraag naar en de belangstelling voor goed vormgegeven produkten; het bevorderen van discussie over vormgeving en ontwerpen op een hoog niveau.' Die doelstelling is bij de oprichting van het Vormgevingsin└stituut statutair vastgelegd.

In het Beleidsplan 1994-1996 (publikatie 14 december 1993) zijn de taken verbonden met drie programma's: 2D, 3D en 4D, waarbinnen projecten worden ondernomen. Het scheppen van kwaliteitsverhogende omstandigheden en het stimuleren van belangstelling en discussie worden gezien in het licht van de toekomstige ontwikkeling en de cultureel-maatschappelijke effecten van vormgeving. De culturele betekenis van vormgeving wordt op deze manier versterkt.

Welke veranderingen staan ontwerpers en producenten te wachten? Hoe kunnen zij op de nieuwe uitdagingen worden voorbereid? En welke bijdrage kan vormgeving leveren aan de culturele en economische vitaliteit van de samenleving? Die vragen sturen de discussie, ze zijn in belangrijke mate bepalend voor de te verwachten vraag naar het werk van vormgevers en houden rechtstreeks verband met de kwaliteit van hun vakmanschap.

Het voormalig Museum Fodor is vanaf de officiële opening op 15 juni 1994 in gebruik als huisvesting van het Vormgevingsinstituut en biedt een internationaal ontmoetingspunt voor partijen uit de wereld van de cultuur, de vormgeving, het bedrijfsleven en de media. Zij treffen elkaar in gesprekken, workshops, presentaties, conferenties, discussies en lezingen. Over 1994 vermeldt het Jaarverslag ongeveer 50 activiteiten - van een lezingenreeks of een tentoonstelling tot en met publieke manifestaties in he└t kader van een centraal thema van het Instituut - waarin de genoemde taken tot uitdrukking komen. Voor 1995 en `96 valt dat aantal zeker niet lager uit. Gaandeweg heeft het Vormgevingsinstituut een eigenzinnig model ontwikkeld.

Het Instituut zoekt uitdrukkelijk een multidisciplinaire benadering, concentreert zich op vraagstukken die met de toekomst van het ontwerpen te maken hebben, probeert in workshops agenda's op te stellen voor ontwerpers, marktpartijen en beleidsmakers en betrekt een brede groep belangstellenden binnen en buiten Nederland bij de verspreiding van de resultaten. De meerwaarde van die werkwijze ligt zowel in het tijdig signaleren en interpreteren van verandering, als in het enthousiasmeren van zoveel mogelijk └verschillende partners om gezamenlijk na te denken over de consequenties daarvan. Als klein instituut zijn wij afhankelijk van dit sneeuwbaleffect.

Nieuwe Media
Bij de formulering van de programma's, de belangrijkste thema's en projecten waarin die thema's worden uitgewerkt, kijkt het Instituut vooral naar nieuwe uitdagingen voor de vormgeving. De eerste Doors of Perception conferentie (november 1993) over de betekenis van vormgeving in de nieuwe media, bevestigde bijvoorbeeld het belang van de interactieve vormgeving (4D) voor het vakgebied. Twee jaar en twee conferenties later is duidelijk dat Doors of Perception een ontwikkeling heeft aangeboord die ook in de n└ationale discussie over de elektronische snelweg een belangrijke plaats inneemt. Voor ontwerpers is een gebied gesignaleerd waarin zij een beslissende invloed kunnen uitoefenen als het gaat om de kwaliteitsverhoging van het aanbod. Voor de overheid en het bedrijfsleven is een houvast gecreëerd in het denken over de toegevoegde waarde van informatietechnologie in maatschappelijke, culturele en economische processen. Die voortrekkerspositie kiezen wij ook de komende jaren.

De krachtenbundeling in het zogenaamde `Virtueel Platform' (Nieuwe Media in de Kunst en Cultuur) voorziet in nieuwe voorstellen aan de overheid. Door die voorstellen in onderling overleg te ontwikkelen, ontstaat samenhang tussen de verschillende gezichtspunten. Het Vormgevingsinstituut werkt in dit verband samen met de Maatschappij voor Oude en Nieuwe Media, De Balie, Paradiso, Montevideo, V2 en STEIM (zie `Van Dada tot data. Beleidsplan van het Virtueel Platform').

Overheidsbeleid
Op 21 juni 1995 publiceerden de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Economische Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de gezamenlijke nota `Kennis in Beweging. Over kennis en kunde in de Nederlandse economie'. Om de kennisintensiteit van de Nederlandse economie op te voeren stellen zij verschillende maatregelen voor, waarin een belangrijke nadruk wordt gelegd bij `de kwaliteit van de informatie-infrastructuur'. De inbreng van ontwerpers blijft in dit verband onderbelicht, maar het is v└anuit de visie van het Vormgevingsinstituut onmiskenbaar dat `Kennis in Beweging' een brug slaat tussen technologie, kennis, produktie en dienstverlening die zonder de intermediaire inbreng van ontwerpers ondenkbaar is.

Door projecten te richten op de toekomstige rol van ontwerpers, gebieden te zoeken waarin vormgevers een nieuwe benadering en dus een nieuwe kwaliteit kunnen introduceren en ook te kijken naar het maatschappelijk belang van die inbreng, heeft het Instituut een `verkennende' positie gekozen. Het Vormgevingsinstituut wil kleine interventies plegen die grote consequenties kunnen hebben doordat zeer uiteenlopende belanghebbenden met de resultaten worden geconfronteerd.

Dat gebeurt door specialisten met andersoortige specialisten in aanraking te brengen, onverwachte verbindingen te leggen met partners binnen en buiten de ontwerpwereld; niet als plezierige vrijetijdsbesteding, maar uit noodzaak. Zoals `Kennis in Beweging' stelt: "Een economie die op het terrein van kennis en kunde onvoldoende presteert, komt zichzelf tegen. Niet vandaag, misschien niet morgen. De afrekening is onvermijdelijk en komt, gezien de versnelling in de mondiale technologische ontwikkelingen, snell└er dan in het verleden." In dit Beleidsplan zijn de uitgangspunten en aanbevelingen van deze nota een belangrijke leidraad.

Inmiddels publiceerde de gemeente Amsterdam 'Amsterdam als Kunstenstad' en schreef de Staatssecretaris van Cultuur `Pantser of ruggegraat. Uitgangspunten voor cultuurbeleid' (Brief aan de Tweede Kamer, d.d. 13 juli 1995). Beide notities bevatten een aantal uitgangspunten voor het cultuurbeleid die voor het functioneren van de vormgevingswereld van grote betekenis zijn.

`Pantser of ruggegraat' belicht in een pleidooi voor een open, receptief cultuurbeleid onder meer de verbinding die de Staatssecretaris zoekt met beleidsterreinen van andere departementen (Buitenlandse Zaken; Sociale Zaken; Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Volkshuishuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en Economische Zaken). Die positiebepaling sluit goed aan bij de gedachten die het Vormgevingsinstituut over zijn eigen functioneren heeft. (In hoofdstuk 2 wordt nadere invulling gegeven aan de idee&└euml;n van het Instituut over zo'n samenwerking.)

Niet in `culturele isolatie', maar door een bewust gezochte samenhang met sociale, ecologische, technologische en economische vraagstukken krijgt vormgeving zijn ware gedaante. Dan ook zal de waarde van het ontwerp tot buiten de eigen culturele kring doordringen; en zal blijken dat aandacht voor vormgeving geen bijdrage is aan het onderscheidend vermogen van de enkele ingewijde, maar aan de kwaliteit van de cultuur en daarmee aan de evenwichtigheid van een complete samenleving. In dat uitgangspunt ziet het└ Vormgevingsinstituut een onmisbare basis voor zijn opereren.

`Pantser of ruggegraat' benadrukt verder het belang van de positie van Nederland als internationale vrijhaven; het cultureel belang van de stad; een aansluiting bij de cultuur van jongeren en migranten; de betekenis van verkenners en onderzoekers en de consequenties van de informatierevolutie. In het kader van de programma's en thema's van het Instituut komen al deze elementen van het cultuurbeleid hieronder aan de orde - niet als geforceerd antwoord op de `Uitgangspunten', maar omdat ze een cruciale plaat└s innemen in de visie van het Vormgevingsinstituut.

Integratie
Het Vormgevingsinstituut is een jonge organisatie. Het gebrek aan `geschiedenis' laat enige flexibiliteit toe die essentieel is voor zijn functioneren. Staatssecretaris Nuis wil binnen de meerjarige subsidiesystematiek ruimte laten voor tussentijdse reactie op `de dynamiek van de kunsten'. Die noodzaak onderschrijven wij. Voor het Vormgevingsinstituut is de dynamiek van cultuur en economie een motief om gevoelig te blijven voor accentverschuivingen, die kunnen resulteren in het stellen van nieuwe thema's o└f het zoeken van een ander type samenwerkingspartners. Op die manier blijft de gewenste openheid behouden, zonder fundamenteel af te wijken van de uitgezette lijn. Evaluatie van het gevoerde beleid leidde tot de vaststelling dat het Instituut behoefte had aan een scherpere omschrijving van die lijn. Thema's en aandachtsgebieden die in de afgelopen jaren als afzonderlijke delen waren behandeld, en misschien daardoor haast willekeurig gekozen leken, moeten in samenhang worden aangepakt. Dit beleidsplan trekt consequenties uit de inhoudelijk keuzes die al in de voorgaande periode werden gemaakt.

Van een dienstverlenende, aanvankelijk reactieve organisatie is het Vormgevingsinstituut vrij snel geëvolueerd naar een projectgerichte, initiërende aanpak. Het geeft op een wat ongebruikelijke manier invulling aan de taken die in 1992 voor het Instituut werden voorzien: kennisverspreiding, informatieverstrekking, promotie, coördinatie en platformfunctie.

In de navolgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe die functies geïntegreerd zijn in de projectorganisatie. De plannen voor de periode na 1996 zijn in belangrijke mate gestuurd door evaluatie van het functioneren tot en met 1995. Die twee elementen zijn hier niet als gescheiden eenheden gepresenteerd. Waar nodig ondersteunt een terugblik de beleidsvoornemens voor de laatste jaren van deze eeuw.


SEND E-MAIL
[ updated 18 March 1996 ]