PUBLICATIONS: SERVICES, AGE, AND CARE: Vertaalslag





Drie lezingen over het ontwerpen voor ouderen; 'Age Design'.

Thema: De vertaalslag
Spreker: Cees de Bont

Ik ben blij dat ik iets kan vertellen over ouderen. Ik ben ook blij dat ik dat kan doen als iemand vanuit de industrie die probeert om op zo goed mogelijk rekening te houden met ouderen, en dit betekent dat ik probeer om er enige diepgang aan te geven. Ik ben economisch psycholoog, na mijn studie werkte ik als AIO bij Industrieel Ontwerpen aan de TU Delft en promoveerde in 1992. Daarna ben ik universitair docent Economische Psychologie geweest. In die periode begon ik te werken als adviseur bij Philips Cor└porate Design. Daar was men van plan een afdeling op te zetten met de bedoeling beter in kaart te brengen wat nu belangrijke veranderingen in de samenleving zijn, zodanig dat Philips daarvan gebruik kan maken in het ontwerpen van produkten en dan zo dat als gedacht wordt aan de toekomst, er sprake is van zoveel mogelijk theoretische en empirische onderbouwing.

Philips is een bedrijf dat sterk technologisch georiënteerd is. Dus als Philips nadenkt over toekomstige produkten, dan is dat vaak vanuit wat er technologisch mogelijk is. Wat steeds meer duidelijk werd, was dat er een tegenhanger nodig was vanuit de sociale weten-schappen. Het is nodig om een koppeling te leggen tussen de technische onderzoekskant en de menskant waar uiteindelijk de produkten gebruikt worden. Omdat technologisch onderzoek een horizon heeft van een periode van vijf tot tien jaar voor└uit, moet je ook onderzoek hebben vanuit de sociale wetenschappen dat een dergelijk perspectief heeft. Met sociale wetenschappen bedoel ik verschillende disciplines, zoals de psychologie, de sociologie, de antropologie, die allemaal relevant zijn om inzicht te verkrijgen over belangrijke veranderingen in de samenleving.

Een van de belangrijke veranderingen is een demografische verschuiving die plaatsvindt, de veroudering. In Japan is dat al langer het geval dan in de westerse samenleving. Het is op zich geen nieuw gegeven maar wel een heel belangrijke constatering. De volgende stap die je moet zetten is het onderzoeken waarin nieuwe generaties ouderen zullen verschillen van huidige generaties ouderen. Als je inzicht krijgt in die verschillen kun je hier op inspelen met produktontwikkeling, communicatie en liefst door midd└el van een geïntegreerd communicatie en produktbeleid.
De missie van Philips Corporate Design is het creëren van 'value', een soort toegevoegde waarde voor Philips consumenten, voor de Philips `growth worldwide', voor aandeel-houders en voor de maatschappij. Om die toegevoegde waarde te kunnen leveren moet je kennis hebben over de doelgroep waaraan je die toegevoegde waarde wilt leveren. Zonder kennis over de fysieke en de sociale omgeving van deze doelgroep gaat dat niet.

Voor onderzoek over ouderen zijn een aantal disciplines binnen de sociale wetenschappen relevant. Toen wij begonnen met het onderzoek binnen het Human Behaviour Research Centre zijn we eerst gaan kijken vanuit welke invalshoeken we inzicht kunnen krijgen in ouderen. We hebben in maart 1995 een workshop georganiseerd in Zeist waarvoor we een aantal mensen vanuit diverse vakgebieden hadden uitgenodigd. Voor de demografie was er professor De Jong-Gierveld, voor fysiologie professor Bouhuis van het Instituut v└or Perceptie Onderzoek in Eindhoven, voor de psychologie hoogleraar Mansteadt uit Amsterdam, vanuit de sociologie professor Becker die veel weet van generaties en verschillen in generaties en voor de antropologie waren er mensen uit Wageningen die vanuit de Huishoudweten-schappen steeds meer kijken naar wat feitelijk in huishoudens plaatsvindt. De focus van de workshop lag op het (toekomstig) gedrag van ouderen in de keuken. Van tevoren was aan de participanten gevraagd naar wat zij Philips konden leren ov└er dit gedrag.

Vanuit de demografie werd aangegeven hoeveel ouderen er zijn, hoeveel alleenstaande mannen en vrouwen - duidelijk is dat veel meer vrouwen overblijven -, en hoeveel ouderen er alleen zullen wonen in de toekomst. Zo krijg je een duidelijke kwantitatieve onderbouwing van de aantallen mensen in hun verschillende verschijningsvormen. De fysiologie leert ons wat men vanaf bepaalde leeftijden lichamelijk niet meer kan; vanaf welke leeftijd neemt het gehoor en het gezichtsvermogen af, en het motorisch functionere└n. De psycho-fysiologie en de fysiologie hebben dit vrij grondig onderzocht.

De psychologie komt o.a. met de term 'self-esteem': hoe ziet de oudere zichzelf, hoe beleeft hij het ouder worden, en je kunt ook denken aan de ergonomie; hoe gaan mensen met produkten om, welke mentale modellen hanteert hij bij het omgaan met produkten? De psycho-gerontologie, het onderdeel van de ontwikkelingspsychologie dat zich richt op ouderen, houdt zich bezig met onderwerpen als betekenisgeving.
We hebben veel contact met professor Dittmann-Kohli van de Katholieke Universiteit Nijmegen die een Sele-Instrument heeft ontwikkeld, 'Selbst und Leben' . Hij kan daarin vaststellen wat centraal staat in het leven van ouderen, welke belevingen relevant worden in de periode dat mensen ouder worden.

In de sociologie is vooral gekeken naar het onderscheid in de verschillende generaties. Er is de 'stille generatie', de 'pre-war generation' en de 'protest generatie'. Het is belangrijk deze verschillende generaties te onderkennen. Elk van de generatie heeft zijn zogenoemde `formative years', de periode tussen het tiende en het twintigste levensjaar. In die tijd worden de normen en waarden van ieder mens gevormd. Elke generatie heeft in een andere tijdsperiode zijn `formative years' gehad en heeft verschil└lende 'major events' meegemaakt, zoals bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog of het einde van de jaren zestig, en is sterk daardoor beïnvloed.

De culturele antropologie leert ons over de positie van de oudere in zijn samenleving. Voor Philips kijk je wat verder dan Nederland en dan blijkt dat ouder worden in andere samen-levingen een andere waarde kan hebben. De plaats van de oudere in Nederland is niet de meest florissante. Ouderen vallen in de Nederlandse samenleving vaak over de rand; het is niet de categorie mensen die op een centrale plaats zit, die met nieuwe ontwikkelingen komt, die belangrijke beslissingen mag nemen. Ze worden steeds meer└ naar de rand van de maatschappij geschoven. In andere culturen zoals het Verre Oosten zie je dat de wijsheid en dus het aanzien van een persoon toeneemt met het klimmen der jaren. Dit is een behoorlijk verschil met de meeste westerse landen.

Iedere discipline heeft veel kennis en inzicht in de materie te bieden maar weinig van die kennis is direct toepasbaar op een zeer concreet toepassingsgebied zoals bijvoorbeeld de keuken. Het is moeilijk de stap van macro-niveau naar een concreet toepassingsgebied te maken. Wat we leerden tijdens de workshop is dat er veel negatieve toekomstbeelden voor ouderen zijn, met name op het gebied van de fysiologie. Je kunt pessimistisch worden van het bestuderen van het afnemen van de lichamelijke functies, zeker└ als je die afname koppelt aan de cultureel antropologische achtergrond - het wegvloeien van het belang en de centrale maatschappelijke plaats van de oudere. Ouderen dreigen op bepaalde plaatsen de aansluiting met de samenleving te missen.
Gelukkig waren de conclusies niet alleen maar negatief en pessimistisch. We ontwikkelden ook ideeën voor een positieve benadering van verouderen, vergelijkbaar met de Oosterse benadering. Ouderen hebben veel geleerd gedurende hun leven, ze hebben veel ervaring opgedaan in de omgang met allerlei produkten. Ze hebben verschillende interfaces leren kennen, en hebben in veel verschillende sociale situaties verkeerd. Met al die kennis en ervaring zou je een positief beeld van het ouder worden kunnen schetsen. Wanneer je op een evenwichtige manier over toekomstige generaties produkten en diensten voor ouderen wilt nadenken, moet je je bewust zijn van beide kanten. Enerzijds is er de negatieve kant van het afnemen van functies en precies weten wanneer dit met welke functies gebeurt. Aan de andere kant moet je op de hoogte zijn van wat men precies geleerd heeft, welke waarden en normen eigen zijn gemaakt, met welke interfaces men heeft leren werken, de kracht die oudere mensen in zich hebben.

Deze inzichten zijn toe te passen op drie niveau's. De eerste stap is de functionaliteit.
Een voorbeeld: we hebben een concreet onderzoek gedaan naar audiosystemen bij ouderen. Bij ouderen thuis zie je vaak dat het audiosysteem is weggewerkt achter de gordijnen, achter een stoel, in de kast. Men werkt de zwarte doos zoveel mogelijk uit het zicht. Het is zelfs zo dat als er een wandrek is het audiosysteem laag bij de grond geplaatst is, zodat men er niet naar hoeft te kijken. Daarbij wordt op de koop toegenomen dat het moeilijk wordt om het apparaat te bedienen. Ergonomisch compleet onverantwoor└d, maar hierin wordt door ouderen de esthetiek verkozen boven de ergonomie.
Verder leerden we dat radio erg belangrijk is voor ouderen. Radio was een belangrijk medium in de formatieve jaren van de huidige generaties ouderen. Verder verschaft radio concrete informatie aan mensen die buiten het arbeidsproces verkeren, die het gevoel hebben minder geïnformeerd te zijn maar wel op de hoogte willen zijn om te voorkomen dat ze sociaal worden geïsoleerd. Radio (en krant) zorgen voor die informatie. Voor ouderen is de radio een van de hoofdfuncties van hun audiosysteem.

Heb je onderkend dat die functionaliteit erg belangrijk is, dan kun je de volgende stap onderzoeken: interfaces maken. Wanneer je zoals bij een audiosysteem veel functies wil samenvoegen, levert dat problemen op voor ouderen. Je kunt dat oplossen door een duidelijke hiërarchie aan te geven in de functies. Als je weet dat bijvoorbeeld de radio de hoofdfunctie is en dat de radio op een bepaalde manier wordt gebruikt, dan kun je er voor zorgen dat die interface goed is zodat ouderen hem gemakkelijk kunne└n bedienen. Andere functies kunnen verder worden weggewerkt in het systeem. Nu is het zo dat men wordt geconfronteerd met een totale complexiteit van functies waardoor men niet meer toekomt aan het eenvoudig bedienen van de hoofdfunctie.

Een derde punt is vormgeving. Het opgroeien in bepaalde periodes brengt een voorkeur mee voor bepaalde kleuren, vormen, en voor ouderen misschien een voorstel voor bepaalde mono-functionele produkten die een heel eigen gezicht hadden in de jaren 50/60. Dat wil niet zeggen dat je nu op precies dezelfde wijze een produkt moet vormgeven maar je kunt er elementen uithalen die herkend worden, die een positief effect oproepen bij ouderen van die generaties.

Samengevat kan worden gezegd dat je bij het ontwerpen van produkten voor de functionaliteit en de vormgeving gebruik kunt maken van de kennis vanuit de sociologie, de kennis vanuit de psycho-gerontologie (bijvoorbeeld de betekenis van radio voor ouderen), en vanuit de antropologie bij ouderen (bijvoorbeeld door thuis te kijken naar wat daar nou precies gebeurt).
Voor de tweede stap, de interfaces, hebben we een onderzoeksprogramma opgezet binnen het Human Behaviour Research Centre. Daarin werken we samen met opnieuw professor Becker uit Utrecht, het Instituut voor Perceptie Onderzoek en de Technische Universiteit Eindhoven en wel met de club mensen die zich daar bezighoudt met de geschiedenis van de techniek. We kijken welke produkten wanneer geïntroduceerd zijn, gekoppeld aan de generaties, om te kunnen vaststellen welke mentale modellen men heeft gevormd in└ de `formative years'. Gecombineerd met andere, met name sociologische gegevens als opleiding en werkervaring, heb je een soort basiskennis over de krachten waarover ouderen beschikken om nieuwe generaties produkten en diensten te ontwerpen. Je kunt bijvoorbeeld denken aan nieuwe communicatie-produkten, home-security produkten of combinaties daarvan.

Ik hoop dat we in de toekomst resultaten daarvan kunnen laten zien. Ik dank u voor de aandacht.


SEND E-MAIL
[ updated 18 March 1996 ]